donderdag 19 december 2019

De Heer van het Duister



Duisternis is mysterieus.
Duisternis is angstaanjagend.
Duisternis is een demon.

Ik ben de duisternis.

Ik voel de magie aan me trekken. Wééral, grom ik bij mezelf. Kunnen die stomme mensen nu nooit eens hun problemen zelf oplossen?
Ik bied weerstand. Ik wil niet de reputatie krijgen dat ik een makkelijk oproepbare demon ben, want dan ben ik er helemaal aan voor de moeite.
Ik werp een laatste blik op de kaarten in mijn hand, zucht en gooi ze op de tafel.
‘Deze keer ben jij gewonnen,’ zeg ik tegen Al-Khudum, en ik schuif mijn stapeltje ifriettanden zijn kant op. Stomme mensen. Als ik wat meer tijd had gehad, had ik vast nog kunnen winnen.
‘Al-Ghrum die opgeeft?’ vraagt de andere demon ongelovig. ‘Wat- ah. Een oproep?’
Ik grom. Ondertussen omklem ik krampachtig de hoeken van ons speeltafeltje. ‘Deze mens doet verdomd veel moeite om me op te roepen.’
Al-Khudum gooit misprijzend zijn kaarten op tafel. ‘Mag ik me weer een andere kaartpartner zoeken,’ klaagt hij.
Ik begin te grommen dat ik geen watje ben en zeker terug kom, maar mijn vingers schudden van de tafel los en ik word onweerstaanbaar mijn wereld uit gezogen.

Er valt enig plezier te scheppen in mensen de schrik van hun leven aanjagen. Al zou je het kunnen vergelijken met een mug een hartaanval bezorgen net voordat je ‘m doodmept – er blijven altijd nog te veel van de irritante lastpakken over. Misschien moet ik daar maar eens mijn volgende projectje van maken: de mensheid uitroeien.
Met dat opbeurende idee in het achterhoofd manifesteer ik me zo angstaanjagend mogelijk.
De kaarsen van het pentagram gaan abrupt uit. Gejammer en gegil vult de ruimte. Ik laat de duisternis toenemen tot ze verstikkend is.
‘Wie waagt het de grote, eeuwiglevende, verheven Heer van het Duister op te roepen?’ dreunt mijn stem door de kamer. Om eerlijk te zijn kan het me worst wezen wie me heeft opgeroepen, maar ik maak graag een goede entree. Ik maak me drie meter lang en voorzie mezelf van grote ramshorens. Klassiek, maar het werkt.
Een antwoord komt er niet meteen, maar dat ben ik al gewend. De meeste magiërs doen het in hun broek als ze me voor het eerst ontmoeten en willen zichzelf liever niet voorstellen voordat ze hun vestimentair probleempje hebben opgelost, wat uiteraard volledig te begrijpen valt. Ik onderhandel ook liever over mijn arbeidsvoorwaarden zonder de geur van pis in mijn neus.
Geritsel en een lucifer vlamt op. Het licht verdwijnt bijna in de duisternis, maar dan knisperen alle kaarsen weer tot leven.
Ik voel even mijn mond open vallen van verbazing, maar sluit hem meteen weer.
Voor mij staat een meisje.
‘Zie je wel?’ zegt ze over haar schouder, terwijl ze mij met een grimmige tevredenheid bekijkt. ‘Ik win onze weddenschap.’
Weddenschap? Heeft dit kind me opgeroepen vanwege een wéddenschap? Verontwaardiging en woede wellen in me op. De stenen vloer binnen het pentagram vergruist onder mijn voeten.
‘Oké, jij wint,’ klinkt de stem van een jongen achter haar in de duisternis. ‘Vrijheid voor jou en je familie, zoals beloofd.’
‘Én tien goudstukken,’ zegt het meisje vastberaden.
De jongen stapt aarzelend uit de duisternis naar voren. Het is een schriel joch dat nog niet eens een baard kan laten groeien. Ik weet niet of ik beledigd of ontsteld moet zijn dat ik word opgeroepen door een stel kinderen.
‘En de goudstukken,’ beaamt de jongen. ‘Maar,’ vervolgt hij, en bij die maar krimpt het meisje haast onmerkbaar in elkaar.
‘Wat?’ zegt ze scherp, haar stem even onbuigzaam als staal.
‘Maar als je hem kan vernietigen, maak ik je hofmagiër. Je eigen vertrekken, een goed huis in de stad voor je familie, een vast inkomen,’ voegt hij er snel aan toe, alsof hij vreest dat ze meteen zal weigeren.
‘Ho even,’ besluit ik me in de conversatie te mengen. ‘Niemand maakt de Heer van het Duister zomaar even van kant.’ Voor de zekerheid grom ik nog wat en laat ik mijn ogen als kooltjes opflakkeren.
Het meisje vernauwt haar ogen maar kijkt niet van me weg.
‘Kan een prins zomaar een hofmagiër aanstellen?’ vraagt ze sceptisch.
‘Nee, je zal moeten wachten tot ik de troon bestijg. Maar als je deze demon doodt, zweer ik een bloedeed dat ik je hofmagiër maak zodra ik koning ben.’
‘Waardoor je je vergewist van mijn loyaliteit,’ glimlacht het meisje wrang.
Ik voel me genegeerd. Dat is me nog nooit overkomen, en ik voel me er ongemakkelijk bij.
‘Ik zal jullie levend villen,’ dreig ik, en ik laat de vergruisde tegels op hen af schieten. Ze botsen op de grens van het pentagram zonder dat een van beide ook maar een spiertje vertrekt. Licht nerveus begin ik het meisje haar pentagram af te zoeken op fouten.
‘Je zweert de bloedeed vóórdat ik hem dood,’ eist ze.
Niet probeert te doden. Dood. Dit kind is wel erg zeker van haar stuk. En ik kan verdomme geen fouten in haar pentagram ontdekken.
‘Ik accepteer,’ zegt de prins, en trekt zijn vergulde dolk.
Het meisje grijnst veelbetekenend naar me. Achter haar zuigt de jongen zijn adem in terwijl bloed opwelt onder de punt van zijn dolk.
Plots begrijp ik hoe het voelt om in je broek te doen.

donderdag 31 oktober 2019

Matthias en het monster



Zodra papa het licht uitdeed en de deur achter zich toe trok gebeurde het. Matthias hoorde gesnuif onder zijn bed, als van een wild beest. Matthias bevroor.
Het snuiven ging door, met zo nu en dan een grom erdoorheen, laag in de keel van het… Matthias durfde het nauwelijks te denken. Het monster. Er zat een monster onder zijn bed!
Doodsbang bleef hij roerloos liggen. Hij durfde nog geen vinger te verleggen, uit schrik dat het monster hem zou horen. Als het hem hoorde, at het monster hem misschien wel op!
Het snuiven en grommen werd steeds luider. Matthias was zo bang dat hij het uitgilde: ‘Mama! Papa!’ riep hij.
Voetstappen op de trap, de deur vloog open en het licht sprong aan. Mama stond met een bezorgd gezicht in de deuropening.
‘Wat is er schat? Ben je ziek?’
‘Nee, er zit een monster onder mijn bed!’ riep Matthias uit. ‘Het is aan het grommen!’
Mama zuchtte met een glimlach en kwam naast hem op bed zitten. ‘Schatje toch, monsters bestaan helemaal niet!’ Ze aaide hem door het haar. ‘En ik hoor helemaal niets.’
Ze legde haar vinger op Matthias’ lippen om zijn protest te smoren. Stilte viel over de kamer en mama luisterde aandachtig. Het was muisstil.
‘Zie je wel, er zit hier helemaal geen monster te grommen,’ glimlachte mama.
‘Niet meer nu jij er bent!’ riep Matthias. ‘Hij is vast bang van jou!’
‘Er is geen monster, knul,’ herhaalde mama. ‘Dus kan het ook niet bang van me zijn. Ga nu maar slapen. Welterusten.’ En ze gaf hem een dikke natte mamazoen op zijn voorhoofd.
‘Maar-‘
‘Slaapwel, Matthias,’ zei mama vastberaden. Ze knipte het licht uit en trok de deur achter zich dicht.
Matthias lag in het donker te luisteren. Na enkele ogenblikken klonk er opnieuw gesnuif onder het bed!
Doodsbenauwd lag Matthias te luisteren. Mama zou vast kwaad worden als hij haar opnieuw riep. Wat voelde hij zich alleen en verraden! Er was wel degelijk een monster, maar mama wou hem niet helpen.
Het gegrom werd luider en Matthias wist dat maar één iemand het monster kon verjagen: hijzelf.
Koortsachtig ging hij in gedachten de kamer af. Lagen er spullen binnen handbereik die hij als wapen kon gebruiken? Zijn spookwekker was best zwaar, maar lastig om vast te houden. Eén mep en hij zou vast uit zijn handen stuiteren. Aan Beer naast hem in bed had hij ook niets. Nee, hij had zijn houten zwaard nodig. Maar dat lag onder het raam.
Matthias haalde diep adem en schraapte al zijn moed bijeen. En toen dook hij het bed uit. In één grote sprong stond hij bij het raam. Zijn hand krabbelde rond op de grond, wanhopig op zoek naar het zwaard. Achter hem werd het gegrom en gesnuif steeds luider! In paniek tastte Matthias rond tot zijn vingers tegen het zwaard stootten. Hij greep het vast en draaide zich met een ruk om naar het bed.
‘Ik ben gewapend!’ riep hij naar het monster. ‘Blijf waar je bent!’
Het gesnuif ging over in hoog, snel gepiep.
Matthias mepte op zijn wekker, die aansprong. Het spookje gaf dof licht.
Onder het bed bewoog iets.
Matthias liet zich op zijn knieën zakken, met het zwaard voor zich uit.
Zijn moed verliet hem bijna toen hij het monster onder het bed zag zitten. Wat was het lelijk! Het was groen, met een korstige huid waar hier en daar toefjes haar op stonden. Het had een hele brede mond, waar scherpe tanden uit staken. Het zat te schudden. Met piepkleine zwarte oogjes staarde het Matthias aan.
Het zwaard trilde toen Matthias het naar het monster uitstak.
‘Verdwijn!’ bracht Matthias uit. Hij hoopte maar dat hij stoer klonk. In werkelijk piepte zijn stem nogal.
‘Genade!’ riep het monster plots uit, en stak zijn dunne armpjes in de lucht. Matthias voelde zijn mond openvallen van verbazing. Het monster kon praten! En het leek nog bang van hem ook!
‘Doe me geen pijn!’ smeekte het monster, met zijn blik op Matthias’ zwaard gericht. ‘Alsjeblieft, genade!’ Het monster trilde van de schrik.
‘Wat doe jij onder mijn bed?’ vroeg Matthias, half boos en half nieuwsgierig.
‘Ik ben maar een arm monster zonder een bed om onder te slapen!’ jammerde het monster. ‘Jaag me alsjeblieft niet weg, want dan wordt ik weer bedloos!’
‘Heb je nergens anders om naartoe te gaan?’ vroeg Matthias. Hij was niet erg blij met het idee om altijd een monster onder zijn bed te hebben wonen.
‘Nee,’ schudde het monster zijn kop. ‘De mama’s en papa’s jagen me altijd weer weg. De mama’s zijn het ergst,’ voegde het er met een huivering aan toe.
‘Wat doen die dan?’ vroeg Matthias nieuwsgierig.
‘Oh, de horror,’ trilde het monster van angst. ‘Nee, daar wil ik het niet over hebben. Haal alsjeblieft die van jou niet terug! Dan kijkt ze meteen onder het bed! Alsjeblieft!’ smeekte het monster, bijna in tranen.
‘Oké, het is al goed,’ zei Matthias, die toch wel medelijden kreeg met het monster. ‘Je mag onder mijn bed blijven wonen als je belooft dat je je gedraagt. Geen gegrom of gesnuif,’ zei hij streng. ‘Anders houd je me wakker.’
‘Oh, dank je, dank je!’ riep het monster uit. Met zijn dunne handjes pakte het Matthias’ vrije hand vast en schudde die wild op en neer. ‘Ik zal stil zijn, ik zweer het! Ik zal het beste monster zijn dat ooit onder jouw bed heeft gewoond! Ik – ik zal nog beter doen!’ riep het monster uit, dat duidelijk een idee had gekregen. Het stak stoer zijn borst vooruit. ‘Ik zal alle andere monsters wegjagen! Geen enkele zal in de buurt van jouw bed durven komen!’
‘Dat is goed,’ glimlachte Matthias.
‘Wees maar niet bang!’ zei het monster. ‘Ik waak over jou!’
‘Oké, prima. Dan ga ik nu slapen.’ Matthias stond op en legde het zwaard aan de kant. Hij kroop terug in bed en deed het spookjeslicht uit.
Matthias lag in het donker te luisteren. Onder zijn bed lag het monster tevreden te spinnen. Misschien waren zijn gegrom en gesnuif van daarnet wel bange geluidjes geweest? Was het monster even bang geweest van Matthias als Matthias van hem? Met die geruststellende gedachte viel Matthias in een diepe slaap.